Amsterda
Back
Spuiten en slikken ‘Wil je opvallen als jonge kunstenaar, probeer dan je tijd vooruit te lopen en iets te maken wat er nog niet is.’ Hugo Kaagman, alias ‘Stencil King’, is een van de pioniers van de street art-beweging. Van politiek activistische sjabloonspuiter ontwikkelde hij zich tot een eigentijdse urban artist. Ondertussen ontdekte hij in Zuid-Frankrijk het joie de vivre… en de wijn. Tekst: Annette Lavrijsen Begin jaren tachtig was Amsterdam een openluchtmuseum vol graffiti, haar openbare gebouwen en muren de kunstwerken. Een bijzondere afdeling van deze underground kunstexpositie vormde de stencil graffiti, ofwel sjabloonkunst, van Hugo Kaagman. Uitgerust met een stanleymes, spuitbus en airbrush vereeuwigde hij levensgrote sjablonen in de openbare ruimte. ‘Wil je opvallen als jonge kunstenaar, probeer dan je tijd vooruit te lopen en iets te maken wat er nog niet is. Dat heb ik een paar keer gehad, toch wel kicken. Iedereen kan een sjabloon uitsnijden, maar het is pas kunst als je het iets eigens weet mee te geven.’ Hield je even stil voor een van Kaagmans collages, dan zag je behalve elementen uit de reggae en punk ook politieke thema’s en Afrikaanse motieven. ‘Amsterdam was een vrijstaat voor seks, drugs én de kraakbeweging. Terwijl ik voor punkblaadjes cartoons en collages maakte, bedacht ik hoe slecht het ervoor stond met de wereld: de neutronenbom en de Derde Wereldoorlog kwamen eraan, Babylon zou vallen. Ik liftte in die tijd regelmatig naar Afrika. Vanwege die bom, maar ook omdat ik behoefte had aan wat relativering. Ik zag hoe arm ze daar waren, maar toch bezongen ze het leven. De Afrikaanse patronen, zoals de zebra, paste ik toe in mijn werk.’ Hollandse tribes Begin jaren negentig. De wereld was niet vergaan en de voorbije jaren had het kapitalisme het idealisme ingehaald, met yuppen die zo veel mogelijk dure kunstwerken aan de muur hingen – tot in 1990 de Eerste Golfoorlog uitbrak en het geld op was. Tijd voor iets nieuws, dacht Kaagman. ‘Zat ik daar in Afrika voor het kampvuur, terwijl we in Nederland ook stammen hebben, met hun eigen identiteit en rare tradities. Denk maar aan de Friezen of Limburgers. Ik besloot mijn in Afrika opgedane patroonkennis toe te passen op het oer-Hollandse Delfts blauw. Zo ontzettend truttig en lelijk, ik kon dat beter.’ Hij ging op veldonderzoek in Volendam en de Keukenhof, en ontdekte dat ons blauwe porselein eigenlijk een Chinese vinding was. In het kraakpand draaide hij keihard Willy Alberti en Johnny Jordaan, om te choqueren want alles wat riekte naar vaderlandsliefde was taboe, maar ook omdat hij die muziek steengoed vond. Leve Frankrijk Allengs werd Delfts blauw zijn handelsmerk en in 1994 maakte hij in tegeltjesstijl een werk van een land dat hij tot dan toe links had laten liggen. ‘Ik ging altijd naar van die rare landen, Frankrijk leek me maar saai. Tot mijn vriendin me meenam naar het Provençaalse dorpje Ramatuelle, en Saint-Tropez. Op die boulevard zag ik direct de gelijkenissen met de haven van Volendam, maar ook het Franse joie de vivre. En ik ontdekte dat Brigitte Bardot inmiddels door haar landgenoten werd verguisd. Oké, ze trouwde met de extreem-rechtse politicus Bernard d’Ormale, maar ze was ook dierenrechtenactiviste. Ik besloot het voor die vrouw op te nemen: ik heb tientallen BB-portretten gemaakt, maar raakte die in Frankrijk aan de straatstenen niet kwijt. Dat was het moment waarop ik dacht: “Vive la France” wordt rood.’ Kaagman sneed allerlei typisch Franse dingen uit: de wijnvelden, het wijnglas en de Franse lelie als motiefje. Op de voorgrond zie je Ramatuelle, met de vierkante wachttoren Tour du Mont-Chevalier, op de achtergrond de heilige berg Brigitte. De zorro rechtsboven is een knipoog naar de Franse cowboycultuur en de zanger Johnny Hallyday, wiens muziek in eigen land vele vrouwenharten deed smelten, maar van wie daarbuiten amper iemand gehoord had. ‘In Frankrijk leerde ik van wijn te genieten. Tussen de middag een uitgebreide warme maaltijd, vergezeld door een koele fles rosé. Zoiets simpels, domweg gelukkig. In mijn punktijd dronken we bier tijdens het uitgaan, maar thuis dronk ik nooit alcohol. Tot ik Jeannette ontmoette en er ineens elke avond een fles wijn op tafel kwam. Goede wijn. Haar vader had destijds een château en ik heb daar een paar keer meegeholpen met de oogst; op m’n knieën met zo’n tangetje tussen die wijnranken door en dan ’s avonds met z’n allen aan de wijn. Dieprode inspiratiebron ‘Tijdens het werk drink ik eigenlijk nooit. Wel energy drinks. Als ik werk moet ik op zoveel dingen tegelijk letten: de techniek, de spullen, en op wat ik moet doen. Eén foutje met de spuitbus of airbrush kan je hele werk verpesten. Met drank op word je minder kritisch en je werk lijkt vaak mooier dan het is. Dat geeft op dat moment misschien een goed gevoel, maar de volgende ochtend valt het toch vaak tegen. Wijn kan wel je creativiteit vergroten. Ik heb een tijdlang foto’s gemaakt van alle stukken die ik op die dag in mijn atelier had gemaakt. ’s Avonds, als de kinderen in bed lagen, bekeek ik het werk met een lekkere wijn erbij; na een paar glazen had ik volop ideeën voor nieuw werk. Thuis geniet ik het meest van een Baron del Cega van LIDL, een dieprode wijn met een heel eigen smaak, voor nog geen vijf euro, in een mooie fles mét kurk. En sinds ik in Argentinië het vlees en de wijnen heb geproefd, haal ik ook wel eens een fles Argentijnse wijn bij de Albert Heijn, met schroefdop.’